maandag 17 november 2008

Lees- en kadervragen: HC2

Raessens, J. Computer Games as Participatory Media Culture, Hoofdstuk 24

Iets wat ik me afvroeg bij het lezen van deze tekst, was wat Raessens precies bedoeld onder het kopje Reconfiguration and Construction > Interactivity. Hij heeft het hier over de rol van de gamer bij het besturen van een zeker personaga (zoals Link en Mario), en hoe dit tot ‘interactiviteit’ gerekend kan worden. Hij stelt hier echter dat: ‘Even more specific are the games in which the player can play the role of an actual character, ...’, gevolgd door een aantal voorbeelden van games. Ik zie echter niet zo snel waardoor de genoemde games (Doom, Quake) specifieker van toepassing zijn dan de eerder genoemde games (The Legend of Zelda en Super Mario 64).
Het enige feitelijke verschil ligt volgens mij in het spelen in de eerste of derde persoon, qua spelaanzicht. Hij gaat later nog wel in op de rol van deze POV (point-of-view), maar legt hij niet specifiek uit hoe dit een uitgebreidere rol speelt bij interactie. Zodoende is mijn tekstvraag dan ook wat precies de bedoeling is van het door Raessens gemaakte onderscheid.

Salen, K. & Zimmerman, E. Game Design and Meaningful Play. Hoofdstuk 4.

De leesvraag die ik bij deze tekst wil stellen is of het mogelijk is wél een succesvolle game te maken, waarbij het concept van discernability (vrijwel) afwezig is. Ik vond het een interessant gegeven zoals het beschreven werd in de tekst, en vroeg me zodoende af of hier mee ‘gespeeld’ zou kunnen worden door gamedesigners, waardoor ze het op een succesvolle wijze zouden kunnen implementeren in een game.

Raessens, J. Playing history. Reflections on mobile and location-based learning (Reader).

De leesvraag die ik bij deze tekst wil stellen is eigenlijk simpelweg hoe deze vorm van games zich in de toekomst verder gaan ontwikkelen? Ik kwam op de site van Waag Society zelf een beschrijving tegen van een soortgelijke location-based game, ‘Fort Amsterdam’. Hoewel dit enkele leuke nieuwe elementen introduceerde, is het feitelijk weer dezelfde game. Ik vraag me dan ook af hoeveel toekomst (lees: innovatiemogelijkheden) location-based games dan ook hebben.

Kadervraag:
De kadervraag die ik deze week wil stellen is eigenlijk een voortbouwing op de laatste leesvraag. Ik ben namelijk erg benieuwd wat de toekomstige mogelijkheden van location-based games zijn, zeker nu met de snelle ontwikkelingen op het gebied van mobiele telefonie en GPS.
Vanuit de andere teksten is het opvallend om te zien hoe het voorbeeld van Frequency 1550 goed valt in te delen in de genoemde modellen in de tekst van Salen en Zimmerman, qua meaningful play.

Geen opmerkingen: